EnglishEnglish View our International sites

Mediacentrum | Sitemap | Toegankelijkheid |   Zoeken
Leiders in groene energieoplossingen
Skip to content

What We Do

Energy & Environmental

Het Kyotoprotocol

De markt

Een groot deel van het huidige wettelijk kader met betrekking tot klimaatverandering is terug te voeren op de Conferentie over Milieu en Ontwikkeling van de Verenigde Naties in Rio de Janeiro in 1992. Deze conferentie resulteerde in een internationaal akkoord over het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC). Veel landen waren het erover eens dat klimaatverandering een probleem is, en dat er maatregelen moeten worden genomen om de emissies van broeikasgassen te verminderen en zo het klimaat te stabiliseren en de negatieve gevolgen voor de planeet te beperken. De conventie werd van kracht in 1994.

In 1997 keurden de partijen bij het UNFCCC tijdens hun bijeenkomst in Kyoto een bindend protocol goed. Daarin is vastgelegd dat industrielanden zich moeten inzetten om hun uitstoot van broeikasgassen in de periode van 2008 tot 2012 te verlagen met gemiddeld 5,2 % ten opzichte van het niveau van 1990.

Tijdens een vergadering in Marrakesh, Marokko, in oktober-november 2001 legden de onderhandelaars de laatste hand aan de operationele details en werd de weg bereid voor de landen om het protocol te ratificeren. Het volledige pakket besluiten is dan ook bekend als de akkoorden van Marrakesh.

Op 2 juli 2003 bereikte de Europese Unie een akkoord over de Europese Richtlijn inzake CO²-emissiehandel, waarin staat dat in heel Europa een systeem voor CO²-emissiehandel moet worden opgestart. Later die maand werd een voorstel voor een Europese koppelingsrichtlijn gepubliceerd om de flexibele mechanismen van het Kyotoprotocol te koppelen aan het EU-systeem voor de handel in emissierechten (EU-ETS). Het systeem moest ingaan vanaf 2005 voor gecertificeerde emissiereducties (CER's - Certified Emissions Reductions) en vanaf 2008 voor emissiereductie-eenheden (ERU's - Emission Reduction Units).

Het Kyotoprotocol, dat op 16 februari 2005 in werking trad, legt een aantal manieren vast waarop emissiereductiedoelstellingen kunnen worden bereikt, waaronder emissiehandel en wat bekend staat als ‘flexibele mechanismen'. Deze laatste omvatten initiatieven waarmee de doelstellingen in de industrielanden kunnen worden behaald door in de ontwikkelingslanden emissiereductieprojecten uit te voeren (Clean Development Mechanisms - mechanismen voor schone ontwikkeling) en te investeren in projecten van een industrieland dat broeikasgasemissies in een ander industrieland vermindert (Joint Implementation - gemeenschappelijke uitvoering).

Een aantal van de partijen bij het Kyotoprotocol, zoals de overheden van Canada en Japan, treft momenteel voorbereidingen om gelijkaardige emissiehandelssystemen in te voeren.

Emissiehandel

Het idee van handelen in emissierechten is niet nieuw. In de Verenigde Staten werd met de Clean Air Act uit 1990 het Acid Rain Program (zure-regenprogramma) opgestart, dat zich aanvankelijk richtte op zwaveldioxide. Er werd een steeds lagere bovengrens vastgesteld voor de totale SO²-emissie voor de komende jaren, met als doel de totale uitstoot met 50 % te verminderen ten opzichte van 1980.

Het omvangrijkste systeem voor broeikasgasemissiehandel dat momenteel wordt toegepast is het EU-systeem voor de handel in emissierechten (EU-ETS), dat op 1 januari 2005 werd gelanceerd. In het eerste jaar werd er 362 miljoen ton CO² verhandeld op de markt, voor een bedrag van EUR 7,2 miljard.

Tijdens de eerste fase (2005-2007) omvat het EU-ETS ongeveer 12.000 installaties - verantwoordelijk voor ongeveer 45 % van de CO²-uitstoot in de EU - die betrekking hebben op energie (verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van meer dan 20 MW, aardolieraffinaderijen, cokesovens), op de productie en verwerking van ferrometalen, op de minerale industrie (cementklinkers, glazen en keramische bakstenen) en op activiteiten op het gebied van pulp, papier en karton. De installaties die onder het systeem vallen, moeten in het bezit zijn van een vergunning voor de uitstoot van broeikasgassen en moeten voldoen aan nog andere verplichtingen inzake bewaking en rapportering van hun emissies.

Tijdens de tweede fase (2008-2012) worden naast CO² ook alle andere broeikasgassen in het systeem opgenomen, en de verwachting is dat vanaf dat moment CDM- en JI-kredieten worden geïntroduceerd. De Europese Commissie overweegt ook de luchtvaart in het systeem op te nemen - een belangrijke stap gezien de vele en snel toenemende emissies in deze sector.

Wellicht zal het EU-ETS na 2012 alle broeikasgassen omvatten, uit alle sectoren inclusief die uit de transportsector. Het grote aantal individuele gebruikers in deze sector brengt extra complexiteit met zich mee. Er kan echter gewerkt worden met een zogenoemd cap-and-trade systeem voor brandstofleveranciers waarbij een emissieplafond wordt opgelegd, of met een referentie- en kredietbenadering met ex-post verificatie van de bereikte emissiereducties voor autofabrikanten (baseline-and-credit).

Het EU-ETS is een cap-and-trade systeem waarbij elk deelnemend land (d.w.z. alle EU-lidstaten) een nationaal toewijzingsplan (NAP) moet voorstellen waarin de toewijzing van de broeikasgasemissierechten voor energiecentrales en andere grote producenten van broeikasgassen (installaties) wordt beschreven. Elk van deze toewijzingen staat voor een eenheid (ton) geproduceerde kooldioxide, ofwel 1 ton CO², en wordt een EUA (EU Allowance) genoemd. De som van de afzonderlijke toewijzingen is gelijk aan het gewenste niveau van emissies aan het eind van elke fase van het systeem, en is lager dan het totale aantal emissies bij het begin van de fase of de toewijzingsperiode.

Het limietensysteem houdt in dat exploitanten van installaties op de open markt moeten inkopen om aan hun toewijzing te voldoen, tenzij ze hun eigen emissies kunnen terugbrengen tot de limiet. Omgekeerd geldt dat eventuele overschotten aan het eind van elk jaar van de toewijzingsperiode kunnen worden verkocht. De prestatie van de installaties betreffende hun toewijzing wordt onafhankelijk gecontroleerd op basis van het aantal EUA's dat aan het eind van elke rapporteringsperiode wordt overgedragen. Als onvoldoende EUA's werden overgedragen, resulteert dit in boetes van EUR 40 per ton, oplopend tot EUR 100 per ton in de tweede fase. Naast de boete moet de installatie het vereiste tekort aan EUA's alsnog aankopen en overdragen.

De toewijzing van EUA's heeft al heel wat controverse uitgelokt binnen de EU, omdat de verschillende lidstaten een andere benadering kozen voor het meten en benchmarken van de toegewezen emissiedoelen. De EUA's zelf worden momenteel ook door de lidstaten vrijgegeven aan de exploitanten van de installaties, hoewel een aantal landen heeft aangegeven dat ze in de toekomst een percentage van de toewijzing voor elke vestiging zullen veilen. Dit zal waarschijnlijk de norm worden binnen de EU.

De infrastructuur voor de verhandeling van EUA's is via een elektronisch registratiesysteem (het ETL) zowel op lidstaatniveau als op gemeenschappelijk niveau geïmplementeerd. Hiermee is er een platform gecreëerd voor de groeiende markt voor internationale handel. M&C Energy Group treedt nu op als erkend handelaar namens kopers en verkopers van EUA's om voor hen de gunstigste deal te sluiten.

Emissiereductieprojecten

In het kader van het Kyotoprotocol kunnen niet-annex 1-landen die geen emissiereductieverplichting opgelegd hebben gekregen, deelnemen aan projecten ter vermindering van broeikasgasemissies die na kwantificering en verificatie in de vorm van emissiereducties kunnen worden verkocht aan annex 1-landen.

Mechanismen voor schone ontwikkeling (CDM's) stimuleren de overdracht van technologieën voor schone energie en de ontwikkeling van emissiereductieprojecten om ervoor te zorgen dat de economische groei in de industrialiserende ontwikkelingslanden zoals India en China op duurzame wijze plaatsvindt. Bovendien kunnen de industrielanden hierdoor tegen lagere kosten aan hun verplichtingen inzake emissiereductie voldoen, aangezien het over het algemeen goedkoper is om de broeikasgasemissies in de ontwikkelingslanden te verminderen.

De werking van de CDM's staat onder toezicht van de raad van bestuur van het CDM in Bonn, Duitsland. Deze raad is belast met het goedkeuren van nieuwe basismethodologieën die kunnen worden toegepast om projecten te kwalificeren, met het accrediteren van aangewezen operationele entiteiten (DOE's) die projecten valideren en controleren, met het registreren van projecten en met het uitgeven van gecertificeerde emissiereducties (CER's). De raad van bestuur van het CDM is op zijn beurt verantwoording verschuldigd aan de Conferentie van Partijen (COP), die jaarlijks bijeenkomt en toezicht houdt op het klimaatbeleid zoals vastgelegd in het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC).

Gemeenschappelijke uitvoering

Het Kyotoprotocol omvat ook een flexibel mechanisme, de zogenoemde Gemeenschappelijke Uitvoering (Joint Implementation - JI), waardoor annex 1-partijen bij het UNFCCC - die dus vastgestelde emissiereductieverplichtingen hebben waaraan uiterlijk in 2012 moet zijn voldaan - emissiereductie-eenheden kunnen verkopen aan andere annex 1-landen.

Emissiereductie-eenheden (ERU's) van JI-projecten worden uitgegeven door de overheden van de annex 1-landen. Elke ERU is gekoppeld aan gelijkwaardige toegekende kwantiteitseenheden (AAU), de toegewezen hoeveelheid emissierechten in het kader van het Kyotoprotocol. De ERU's kunnen door regeringen worden ingetrokken om de Kyotodoelen te helpen behalen, of door bedrijven worden overgedragen zodat ze voldoen aan hun toewijzing in het kader van het EU-ETS, en kunnen op die manier worden gebruikt om de regels na te leven.

De landen die ERU's kunnen verlenen, zijn volgens de Kyotoregels verdeeld in ‘track 1' en ‘track 2' naargelang het gastland voldoet aan bepaalde toelatingseisen. ERU's van track 1-landen staan onder toezicht van het betreffende land, en ERU's van track 2-landen staan onder toezicht van het internationale toezichthoudende comité voor gemeenschappelijke uitvoering.

Hoewel er tot 2008 geen ERU's kunnen worden verleend, bestaat er al een actieve markt, met name onder Europese regeringen die ERU's hebben aangekocht van gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten in Oost-Europa.

Als gevolg van de inkrimping van de economieën van een aantal Europese landen sinds 1990 (het basisjaar ten opzichte waarvan de emissies worden gemeten) zullen veel landen wellicht een overschot aan AAU's (toegewezen eenheden) hebben, die ze aan andere annex 1-landen kunnen verkopen. De snelle industrialisering van met name de Oost-Europese landen houdt in dat in deze gebieden in de toekomst waarschijnlijk veel gemeenschappelijke uitvoeringsprojecten zullen plaatsvinden.

ERU's kunnen worden verhandeld binnen het EU-ETS door ze een-op-een te ruilen met EUA's. Vanaf 2008 moet hiervoor aan een aantal criteria worden voldaan. ERU's worden op de primaire markt doorgaans tegen een lagere prijs verhandeld dan EUA's vanwege de extra project- en regelgevingsrisico's. Hierdoor zijn ze bij sommige partijen op de internationale emissiemarkt zeer in trek. Zowel Europese als Japanse particuliere instellingen hebben zich als kopers aangesloten bij de overheden op de markt. Het is niet waarschijnlijk dat er voor 2008 een secundaire markt voor ERU's zal komen.



Back

Europees Markt Rapport »

Recent nieuws
20.03.10 Bangkok Post
Verneem meer
15.02.10 Daily Market Update
NEWS: Crude prices recover after falling sharply during trading in New York on Friday. Verneem meer
Case Studies
Energy Savings Tips
Top FAQs